Hokjes voorbij: seksuele fluïditeit

08/01/2019 - 09:17
longread
Illustratie van twee mannen die elkaar vasthouden op het strand
“I'm on the right track, baby, I was born this way” - deze lyrics van Lady Gaga zijn alom bekend in de LGBT+ wereld. “Ik ben zo geboren” is een argument dat vaak wordt gebruikt om de conservatieve opvatting te weerleggen dat holebiseksualiteit onnatuurlijk of een keuze is. Die denkroute heeft ook tot gevolg dat we seksuele oriëntatie zien als onveranderlijk. Maar is dat eigenlijk wel zo?

Ondanks het feit dat Lady Gaga met haar lyrics duidelijk voor LGBT+ personen opkomt, weerspiegelt het lied slechts één opvatting over holebiseksualiteit, namelijk het feit dan seksuele oriëntatie aangeboren is. Het vaak gebruikte woord “geaardheid” zelf verwijst al naar een onveranderlijke toestand, terwijl “oriëntatie” flexibiliteit en de mogelijkheid tot verandering impliceert.

Algemeen wordt van LGBT+ personen verwacht dat hun bewustwording en coming-out volgens een vast patroon verloopt: je ontdekt je seksualiteit al op jonge leeftijd, verbergt die voor een bepaalde periode, waarna je uit de kast komt en je identiteit publiek maakt, om vervolgens voor de rest van je leven diezelfde identiteit aan te houden. Zo’n model is enorm beperkend, en onderzoek toont in feite aan dat seksuele, romantische en esthetische aantrekking de regels vaker niet volgen dan dat ze dat wel doen. Sterker nog, er kan zelfs sprake zijn van een zekere seksuele fluïditeit.

Seksuele fluïditeit

De term seksuele fluïditeit wijst op de flexibiliteit die seksuele aantrekking en seksueel gedrag afhankelijk van de situatie kunnen vertonen: sommige personen ervaren hun identiteit en seksuele expressie als veranderlijke gegevens. Dat wil niet zeggen dat seksualiteit en seksuele oriëntatie per definitie veranderlijk zijn, want dat zijn ze niet voor iedereen.

Er is meer queerness en er zijn meer alternatieve expressies van seksualiteit en seksueel gedrag dan we ooit zouden kunnen bedenken

Psycholoog Michael Aaron haalt twee mogelijke verklaringen aan voor deze fluïditeit. Ten eerste is er het concept van epigenetica. Onderzoek naar de samenstelling van ons DNA toont aan dat bepaalde genen ‘in- en uitgeschakeld’ kunnen worden tijdens ons leven. Denk bijvoorbeeld aan een identieke tweeling: beide personen hebben exact dezelfde genetische opmaak en toch kan hun seksuele oriëntatie verschillen. Hierdoor zou seksualiteit veranderlijk kunnen zijn.

Daarnaast oppert Aaron dat seksualiteit gelaagd is en dat we bepaalde lagen pas later ontdekken dan andere vanwege persoonlijke of sociale factoren. Aaron benadrukt ook dat fluïditeit de aard van seksualiteit weergeeft: het past niet in hokjes. Je kan nieuwe aspecten van je seksualiteit ontdekken, maar het is niet zo dat je (bijvoorbeeld via therapeutische technieken) de aspecten kan wegwerken die jij of je omgeving als ongewenst beschouwen. Seksuele fluïditeit is dus absoluut geen argument voor bekeringstherapie, integendeel.

Illustratie waarbij bovenaan twee vrouwen in het park liggen en onderaan dezelfde vrouw met een man aan tafel zit
Michiel Van Thillo

Binair onderzoek

Veel onderzoek naar seksuele fluïditeit gaat uit van een binaire genderidentiteit van zowel de bevraagde als de personen tot wie de bevraagde zich aangetrokken voelt. Dat wil zeggen: onderzoek gaat er vaak vanuit dat iedere persoon zich of man of vrouw voelt. Die aanname leidt tot gekleurde conclusies. Vaak wordt opgeworpen dat vrouwen meer geneigd zijn tot seksuele fluïditeit dan mannen, maar je kan je afvragen hoe relevant die interpretatie is. Zo’n onderzoek laat immers gender non-conforme of non-binaire personen volledig buiten beschouwing, terwijl we weten dat gender ook een spectrum is en flüide kan zijn. De focus op verschillen tussen mannen en vrouwen bij aan en aan een samenleving die binair denkt, en bijgevolg meer moeite heeft met het aanvaarden van gender non- conforme en non-binaire personen.

Onderzoek vertrekt ook vaak vanuit het idee dat heteroseksualiteit de norm is op het vlak van seksueel gedrag. Het is opvallend dat net zulk onderzoek in hokjes blijft steken. Het getuigt ervan dat we als samenleving weinig kader hebben om het klassieke hokjesdenken te doorbreken. Er zijn echter ook onderzoekers zoals Alison Better die deze tekortkomingen aankaarten en ervoor ijveren om onderzoek inclusiever te maken: Er is meer queerness en er zijn meer alternatieve expressies van seksualiteit en seksueel gedrag dan we ooit zouden kunnen bedenken, en zowel ons gebrek aan taal om die diversiteit te beschrijven als het taboe dat rond het onderwerp bestaat houden ons tegen om de diepgang en de alomtegenwoordigheid van dat gedrag echt te begrijpen.

Genderexpressie beïnvloedt seksuele expressie

Ook onderzoek naar seksuele fluïditeit bij trans* personen gaat vaak uit van binariteit, vooral in de genderidentiteit van de partner van de bevraagde. De voorbije vijftien jaar werden onder andere in Nederland en de Verenigde Staten enkele onderzoeken verricht naar de manier waarop seksuele aantrekking kan evolueren bij trans* personen die een sociale en/of medische transitie ondergaan.

Onderzoek vertrekt nog vaak vanuit het idee dat heteroseksualiteit de norm is op het vlak van seksueel gedrag

Het grootste deel van de personen die een verandering in hun seksuele aantrekking opmerkten, geeft aan te evolueren van aantrekking tot één genderidentiteit naar aantrekking tot meerdere genderidentiteiten. Bij een kleinere groep slaat de aantrekking volledig om van één genderidentiteit naar een andere. Het percentage trans*personen dat fluïditeit in de seksualiteit beleeft is groter dan bij cisgender personen.

Daar zijn verschillende verklaringen voor. Seth Pardo, behavioral health epidemologist, wijst erop dat trans* personen bepaalde seksuele aantrekkingen (onbewust) kunnen onderdrukken vanwege de incongruentie tussen genderidentiteit en lichaam vóór een transitie. Queer psychotherapeut en sekstherapeut Dulcinea Pitagora voegt daaraan toe dat een transitie ervoor kan zorgen dat iemand gefascineerd raakt door eigen lichamelijke kenmerken die zich ontwikkelen, en die dan ook in partners gaat zoeken. Het kan ook dat iemand net het contrast met het eigen lichaam opzoekt en op die manier een partner vindt wiens genderidentiteit niet overeenkomt met dat van de partners voor de transitie.

Illustratie van een koppel dat op een bankje zit
Michiel Van Thillo

(B)identiteit?

Seksuele fluïditeit betekent dus eigenlijk dat iedereen een beetje bi is? Niet echt. Seksuele fluïditeit heeft niet noodzakelijk invloed op de seksuele oriëntatie van een persoon. Zie het als een deel van iemands seksualiteit dat in dialoog treedt met seksuele oriëntatie en/of identiteit.

Sommige personen zullen de nood voelen om hun seksualiteit in vraag te stellen nadat ze de fluïditeit ervan hebben ontdekt. Misschien willen ze veranderen hoe zij hun identiteit benoemen. Anderen zullen die nood niet voelen. De variatie aan seksuele identiteit geeft een variatie aan termen om die te benoemen.

Geen seksuele aantrekking

Wanneer we spreken over seksuele oriëntatie gaan we er vaak vanuit dat aantrekking tot een ander altijd een seksueel luik heeft. Dat is niet altijd het geval. Aseksuele personen voelen geen seksuele aantrekking tot anderen. Dat wil niet zeggen dat een aseksueel persoon per definitie geen seksuele opwinding ervaart - hoewel dat voor sommige aseksuelen wel zo is - , maar wel dat die opwinding geen nood tot seks met iemand anders met zich meebrengt.
 
Iemand die zichzelf als aseksueel identificeert kan zich wel romantisch aangetrokken voelen tot een persoon, diens uiterlijk aantrekkelijk vinden, en sensueel contact willen met die persoon (zoals knuffelen, kussen…). Een aseksueel persoon die zo’n aantrekking ervaart zal zich vaak ook aangetrokken voelen tot een bepaalde genderidentiteit.

Bron: 

Eigen verslaggeving